- Home
- Klokkenluidersregeling
- Criteria voor misstanden
Criteria voor misstanden
Een vermoeden van een misstand is een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden
van:
- een schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels
- een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu
- een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar vormt voor het
goed functioneren van de openbare dienst
bij de organisatie waarin de melder werkt of heeft gewerkt of bij een andere
organisatie indien hij uit de hoedanigheid van zijn ambtenaarschap met die
organisatie in aanraking is gekomen en kennis heeft gekregen van de misstand.
De in dit besluit opgenomen betrekkelijk zware procedure, waarbij ook een
beroep kan worden gedaan op een onafhankelijke commissie, is bedoeld voor het
aan de orde stellen van misstanden die van voldoende gewicht zijn en niet voor
schendingen van lichte aard. Dit vloeit al voort uit het woord misstand dat
gelijk staat aan “wantoestand” of “maatschappelijk onrecht”.
Het vermoeden moet op “redelijke gronden” zijn gebaseerd. Als direct duidelijk
is dat daarvan geen sprake is en de melding daarmee kennelijk ongegrond is,
is nadere inhoudelijke behandeling of onderzoek niet aan de orde
Het begrip misstand wordt onderscheiden naar een schending van wettelijke
voorschriften of beleidsregels, een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid
of het milieu, en een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar vormt
voor het goed functioneren van de openbare dienst. Verdere definiëring is achterwege
gelaten om geen onnodige drempels op te werpen voor potentiële melders.
Een schending van wettelijke voorschriften kan tevens een strafbaar feit opleveren.
In geval het hierbij gaat om een misdrijf of een ernstige overtreding geldt
ook een verplichting tot aangifte (zie de artikelen 160 en 162 van het Wetboek
van Strafvordering), terwijl in andere gevallen een bevoegdheid tot het doen
van aangifte bestaat. Het ligt op de weg van de ambtenaar om, als het vermoeden
van een misstand tevens een verdenking van een strafbaar feit oplevert, bij
de melding van het vermoeden van een misstand te melden of hij aangifte heeft
gedaan. De organisatie weet dan dat er wellicht een justitieel onderzoek gaat
plaatsvinden of dat er nog aangifte moet worden gedaan. Is nog geen aangifte
gedaan, dan ligt het voor de hand dat deze geschiedt door tussenkomst van het
bevoegde gezag van de ambtenaar. De aangifteplicht blijft in beginsel rusten
op de melder. Deze zal er zich op enig moment van moeten vergewissen dat het
bevoegde gezag daadwerkelijk aangifte heeft gedaan.
Tot slot dient bij het verrichten van intern onderzoek zoveel mogelijk rekening
te worden gehouden met een strafrechtelijk onderzoek naar de betreffende misstanden.
Het verrichten van intern onderzoek mag het instellen van een strafrechtelijk
onderzoek niet vertragen. Ter voorkoming hiervan is aangewezen dat het bevoegde
gezag zo spoedig mogelijk, vooruitlopend op een eventuele aangifte op grond
van artikel 162 Sv, in overleg treedt met de officier van justitie.
Het belang van de kwalificatie “gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of
het milieu” zit er vooral in dat dergelijk gevaar niet per definitie het gevolg
behoeft te zijn van of zich openbaart als een schending van wettelijke voorschriften
of beleidsregels, dan wel een onbehoorlijke wijze van functioneren. Ook in
dat geval is sprake van een misstand die gemeld moet worden. Gevaarzetting
die een wettelijke rechtvaardiging heeft, zoals de uitzending van militairen
naar risicogebieden, of die voortvloeit uit de functie, zoals bijvoorbeeld
voor brandweer en politie geldt, kan vanzelfsprekend niet als een misstand
worden gekwalificeerd. Van een misstand kan bijvoorbeeld wel sprake zijn als
bij de bedrijfsvoering bewust milieuvoorschriften worden overtreden of als
structurele gebreken in de inspectie van risico-objecten ernstige gevaren oplevert
voor personen.
Onder een onbehoorlijke wijze van functioneren kunnen tal van zaken vallen.
Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet om eventuele tekortkomingen in het primaire
functioneren van een ambtenaar, zoals structureel te laat komen, de kantjes
ervan af lopen, het maken van kopieën voor privédoeleinden en dergelijke; deze
tekortkomingen raken het algemeen belang niet en dienen langs andere wegen
te worden gecorrigeerd. De omschrijving doelt op een tekortschieten in de wijze
van functioneren die de integriteit van de organisatie als zodanig in gevaar
kan brengen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan grootschalige fraude
(op zichzelf tevens een schending van wettelijke voorschriften) of het achterhouden
van belangrijke informatie of bewust verkeerde informatie verschaffen.
De procedure is niet bestemd voor kritiek op politieke beleidskeuzes, om te
ageren tegen wetten of het melden van verhalen van horen zeggen. Ook rechtspositionele
conflicten tussen de overheid als werkgever en de ambtenaar als werknemer zijn
niet aan te merken als (vermoedelijke) misstanden. Daarvoor bestaan reguliere
rechtsmiddelen zoals het indienen van een bezwaarschrift en het instellen van
beroep bij de bestuursrechter op basis van de Algemene wet bestuursrecht. Het
besluit regelt overigens wel voorzieningen ten behoeve van de bescherming van
degene die een vermoeden van een misstand heeft gemeld tegen benadeling.
De ambtenaar kan met gebruikmaking van deze procedure ook een melding doen
over een andere overheidsorganisatie voor zover deze onderdeel uitmaakt van
de sectoren waarop dit besluit van toepassing is. Het toepassingsbereik van
dit besluit (ambtenaren, ambtelijke organisaties) brengt de voorwaarde met
zich mee dat de ambtenaar uit hoofde van zijn taakuitoefening zicht moet hebben
of hebben gehad op de vermoede misstand doordat hij met de bewuste organisatie
samenwerkt of heeft samengewerkt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
de gedetacheerde ambtenaren. Voor zover dit besluit niet voorziet in bepaalde
situaties, kan de desbetreffende persoon het vermoeden van een misstand altijd
op andere manieren onder de aandacht van het bevoegd gezag brengen.
Een ruime opvatting van goed werkgeverschap rechtvaardigt dat ook voor personen
die anders dan als ambtenaar werkzaam zijn binnen de genoemde sectoren, zoals
uitzendkrachten en ingehuurde externen, de mogelijkheid wordt gecreëerd om
met gebruikmaking van de in dit besluit opgenomen procedure melding te maken
van vermoedens van misstanden. Nu hiervoor op dit moment een formeelwettelijke
basis ontbreekt, kan het desbetreffend bevoegd gezag daartoe bij overeenkomst,
bijvoorbeeld in het inhuurcontract, de meldprocedure van overeenkomstige toepassing
verklaren.